Extra's

Voor de begrafenis van mijn oma schreef ik het korte verhaal 'Bij oma'. Hier kun je dat lezen:
* Bij oma

Hieronder vind je, in chronologische volgorde: 

* de presentatie Hoe schrijf ik een boek? 
* het korte verhaal (in 3 delen) Oranje Boven 
* en de proloog van mijn tweede boek Sirene

Veel leesplezier!

Zondag 4 augustus 2013



Dinsdag 14 mei 2013

Speciaal voor de abdicatie van koningin Beatrix (inmiddels prinses Beatrix) en de troonsbestijging van koning Willem-Alexander heb ik dit korte verhaal geschreven. Het is een romantisch verhaal met de titel Oranje boven dat uit drie delen bestaat. Het eerste deel heet Abdicatie en is op 30 april op deze site gepubliceerd. Het tweede deel, Dodenherdenking, verscheen op 4 mei op deze pagina. Het derde deel ten slotte, Bevrijdingsdag, had één dagje vertraging en heb ik op 6 mei op deze site gepubliceerd. Inmiddels heb ik alle delen in de juiste volgorde gezet, zodat het nu als één doorlopend verhaal te lezen is. Ik hoop dat jullie het met veel plezier zullen lezen. Wil je een reactie achterlaten? Dat kan op Facebook



ORANJE BOVEN


1. ABDICATIE


Voor prinses Beatrix,
die 33 jaar lang met liefde voor het vaderland haar taak als koningin heeft uitgevoerd.
 Daarvoor heel hartelijk bedankt.

En voor koning Willem-Alexander,
want voor hem ligt de moeilijke taak om in haar voetsporen te treden.
Heel veel succes daarbij!

 ‘Nicole!’ Ik heb mijn handen als een toeter om mijn mond geklemd en probeer boven de herrie om me heen uit te gillen. ‘Nicole! Waar ben je?’ Mijn ogen schieten speurend om me heen, maar ik zie alleen maar een golvende oranje massa. De moed zakt me in mijn rode laarsjes. Die ga ik hier dus echt nooit terugvinden. Lekker is dat; de dag is nog maar net begonnen en ik ben nu al iedereen kwijt.
                Ik vis mijn mobieltje uit mijn handtasje en zoek Nicole in het snelmenu. Door alle herrie om me heen kan ik amper horen of de telefoon overgaat, maar aan mijn scherm is te zien wel. Als ik zie dat de teller begint te lopen, hang ik op. Als ik al niet kan verstaan of ze überhaupt heeft opgenomen of dat ik haar voicemail te pakken heb gekregen, lijkt het me onmogelijk dat ze haar telefoon heeft horen overgaan.
                Waar ben je? app ik haar. Afwachtend blijf ik naar het scherm staren, in de hoop snel een antwoord te ontvangen. Maar twee minuten verstrijken zonder een reactie. Ik doe nog een poging om mijn vrienden te bereiken door ook Helga, Eduart en Fedde een berichtje te sturen, maar ook daar krijg ik niet meteen een antwoord op.
                Een duw in mijn rug brengt me uit evenwicht en met moeite houd ik me staande. Al die inspanning om hier te komen voor een gezellige dag, maar nu ziet het ernaar uit dat ik die voorlopig alleen zal doorbrengen. Zuchtend stop ik mijn mobieltje terug in mijn tasje en fatsoeneer mijn oranje jurkje.
                Op dat moment barst er een oorverdovend gejoel los. Ik richt mijn blik op en zie op het grote scherm dat koningin Beatrix zojuist de Mozeszaal heeft betreden. Zacht zwelt een leuze op, die al snel wordt overgenomen door de hele menigte: ‘Bea bedankt! Bea bedankt!’ Het werkt aanstekelijk en voor ik het weet, sta ik mee te schreeuwen.
                Even vergeet ik dat ik helemaal alleen tussen deze massa op het Damplein sta. Even heb ik alleen maar aandacht voor dit historische moment. Zo meteen nemen we afscheid van onze koningin, Beatrix. Een koningin die ons land 33 jaar met veel visie en waardigheid heeft bestuurd en nu is het de beurt aan haar zoon, Willem-Alexander, hoewel waarschijnlijk nog meer mensen staan te juichen om zijn vrouw Máxima als koningin te verwelkomen.
                ‘Shit,’ hoor ik naast me iemand vloeken. Ik draai mijn hoofd en kijk naar hem. Hij heeft warrig blond haar, draagt een nonchalante spijkerbroek met een knaloranje t-shirt en daaroverheen een openhangend leren jack. Zijn blik is vertrokken in een geërgerde grimas, terwijl hij zijn hoofd afwisselend naar links en rechts beweegt.
                ‘Ben jij jouw gezelschap ook kwijt?’ waag ik het te vragen. Dat levert me een geïrriteerde blik op, waarna hij me verder negeert.
                Ik haal mijn schouders op en draai me weer om naar het scherm. Het zal nu vast bijna beginnen. Ik zie hoe de beelden inzoomen op onze koningin, die achter een lange tafel heeft plaatsgenomen. Dan neemt ze het woord en houdt een korte toespraak. Het gejoel sterft weg en ineens is het doodstil op het plein. Na haar toespraak neemt de directeur van het Kabinet der Koningin het woord en leest de Acte van Abdicatie voor, waarna hij deze naar de plaats van de koningin draagt. Onder het geklik van vele camera’s zet onze koningin haar handtekening onder het document, gevolgd door Willem-Alexander en Máxima. Als de laatste haar handtekening heeft gezet, klikt er een enorm gejuich vanaf het plein. Aangestoken joel en klap ik mee.
                Wanneer de Acte wordt doorgeschoven naar de andere getuigen, voel ik ineens een hand op mijn schouder.
                ‘Je hebt gelijk,’ zucht een stem naast me.
                Ik draai mijn hoofd naar opzij en zie daar de jongen van zojuist weer staan. Vermoeid haalt hij een hand door zijn blonde haren, maar het wordt enkel nog warriger dan het al was. Het blijft in wilde pieken op sommige plaatsen recht overeind staan.
                ‘Wat bedoel je?’ vraag ik hem.
                ‘Ik ben mijn gezelschap kwijt.’
                ‘Ik ook,’ zucht ik.
                Hij knikt en richt zijn blik omhoog, naar het scherm.
                Ik volg zijn blik en zie nog net hoe de directeur van het Kabinet der Koningin als laatste het document ondertekent. Opnieuw stijgt er een luid gegil en gejuich rondom ons op. Ik voel hoe een brok in mijn keel groeit. Met het ondertekenen van de Akte is Beatrix niet langer onze koningin.
                Als het beeld weer uitgaat, draai ik me naar de jongen.
                ‘Heb jij nog hoop dat je ze vandaag gaat terugvinden?’
                Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik denk dat ik een leukere dag zal hebben als ik gok van niet.’
                Ik frons mijn wenkbrauwen. ‘Wat bedoel je?’ vraag ik hem.
                Hij grijnst. ‘Als ik ervan uit ga dat ik ze niet meer ga terugvinden, dan ga ik zorgen dat ik plezier heb op dit moment. Als ik er wel vanuit ga dat ik ze nog terug ga vinden, dan ben ik ze de hele dag aan het zoeken.’ Hij knipoogt naar me. ‘En jij?’
                Ik haal mijn schouders op. ‘Een wijs persoon heeft ooit gezegd dat ik waarschijnlijk een leukere dag zal hebben als ik me erop instel dat ik de rest van de dag zonder mijn vrienden door zal brengen.’ Ik knipoog terug.
                ‘Wat is je naam?’ Hij vraagt het nonchalant, maar zijn ogen glanzen broeierig. Ze lijken wel van gepolijste onyx, maar ik vermoed dat zijn irissen gewoon heel donkerblauw zijn.
                ‘Ariane,’ antwoord ik met een glimlach. ‘Net als de jongste prinses. En jij?’
                ‘Stijn.’ Hij maakt een lichte buiging en strekt zijn hand naar me uit. Ik schud hem.
                ‘Kom je hier vandaan?’ vraag ik nieuwsgierig.
                Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee, maar ik heb wel mazzel. Mijn ouders zijn gescheiden en mijn vader woont hier, dus ik kon hier wel mooi logeren. Normaal woon ik vooral bij mijn moeder.’
                Ik knik begrijpend. ‘Wij zijn hier gistermiddag gekomen en hebben bij een neef van één van onze vrienden gelogeerd. Het leek ons niet zo handig om vanochtend een poging te doen om hier naartoe te komen.’
                ‘Ik snap wat je bedoelt.’
                Ik haal mijn schouders op. ‘Ik wilde dit toch echt niet missen. Zoiets maak je niet zo vaak mee, toch?’
                Stijn grijnst. ‘Dat hoop ik niet, want dat zou betekenen dat kroonprinses Amalia op negenjarige leeftijd de troon zou moeten bestijgen. Laten we hopen dat ze eerst nog even van haar jeugd mag genieten.’ Een nieuwe knipoog.
                We vervallen in een stilte, maar geen onprettige stilte. Ik neem de tijd om even om me heen te kijken. We staan als haringen in een ton bij elkaar gepakt, omringt door mensen met oranje shirtjes, oranje pruiken, opblaaskroontjes en vlaggetjes op gezichten getekend. Iedereen is uitgelaten en bespreekt met zijn buren wat ze zojuist hebben aanschouwd. Ik voel een steek door me heengaan; waar zijn de anderen? Opnieuw doe ik een poging om ze te zoeken, maar er zijn gewoon teveel mensen.
                Dan openen de balkondeuren zich en het hele plein barst los in een waar gejuich. Prinses Beatrix (raar zeg, ik ben het zo gewend om koningin Beatrix te zeggen), koning Willem-Alexander en koningin Máxima stappen op het balkon. Het gejuich zwelt aan en opnieuw klinkt er ‘Bea bedankt!’ Op het scherm zie ik hoe de prinses worstelt met een ontroerde glimlach. Dan opent ze haar mond en zegt: ‘Enkele ogenblikken geleden heb ik afstand gedaan van de troon. Ik ben gelukkig en dankbaar u voor te stellen, uw nieuwe koning, koning Willem-Alexander.’ Het gejuich zwelt aan en ik werp een korte blik op Stijn. Hij staat met glanzende ogen toe te kijken.
                Ach wat. Ik gooi mijn armen in de lucht en juich hartstochtelijk mee.
                ‘Zo, jij hebt er zin in,’ zegt Stijn, maar hij grijnst breed, terwijl hij me plagend een por met zijn elleboog geeft. Mijn hart maakt een sprongetje.
                ‘Zeker weten.’
                Ik grinnik als ik hoor hoe prinses Beatrix aan koning Willem-Alexander vraagt: ‘Even wuiven misschien?’
                ‘Die is vast vergeten dat het microfoontje nog aanstond,’ grijnst Stijn.
                Ik haal mijn schouders op. ‘Dat vind ik juist wel mooi. Dat laat zien dat ze ook mensen zijn, net als wij.’
                Nu neemt onze nieuwe koning het woord. ‘Lieve moeder,’ begint hij. ‘Vandaag heeft u afstand gedaan van het koningschap. 33 bewogen en bevlogen jaren, waarvoor wij u intens… intens dankbaar zijn.’
                Nieuw gejoel en een nieuwe inzet van ‘Bea bedankt.’ Ik joel net zo hard mee.
                ‘Mede namens uw koningin,’ gaat koning Willem-Alexander verder, ‘wil ik ook u allen, op de Dam, in Amsterdam, in Nederland, en de Caribische delen van ons koninkrijk hartelijk danken voor steun en vertrouwen wat wij van u hebben mogen ontvangen. Dank u wel!’
                Het gejoel zwelt nog verder aan, terwijl de oude koningin, de nieuwe koning en de nieuwe koningin naar ons wuiven vanaf het balkon. Dan klinken de eerste klanken van ons volkslied.
                Opnieuw kijk ik naar Stijn en tot mijn verbazing heeft hij al ingezet. Zelf begin ik ook te zingen.
                Na het volkslied verdwijnt prinses Beatrix van het balkon, maar meteen komen onze drie prinsessen Amalia, Alexia en Ariane het balkon op, gekleed in schattige gele jurkjes.
                ‘Kijk, je naamgenoot,’ zegt Stijn, terwijl hij zich naar me toebuigt om zich verstaanbaar te maken. Nu hij zo dichtbij staat, zie ik dat zijn irissen inderdaad heel donkerblauw zijn, gecombineerd met grijs. Zijn aftershave lokt me dichter naar hem toe en ik onderdruk de nijging om mijn ogen te sluiten. ‘Ik moet toegeven, zij is wel de leukste van de drie,’ vertrouwt hij me toe. ‘Moet je die glimlach zien!’
                Ik scheur mijn ogen van hem los en focus ze op het scherm. Inderdaad. Mijn naamgenote staat met een gelukzalige glimlach naar het volk te zwaaien. Dan stappen de leden van het Koninklijke gezin naar achteren, het paleis in, waar ze weer aan onze blikken worden onttrokken.
                Een beetje onzeker draai ik me om naar Stijn. Zou hij meteen weer verdwijnen in de drukte? Of zou hij het gezellig vinden om samen nog wat tijd door te brengen?
                ‘Heb je zin om ergens even een broodje te gaan eten?’ Ik hoor de aarzeling in zijn stem. Twijfelt hij of hij het leuk vindt om me mee te vragen of is zijn twijfel meer gericht op de vraag of ik zal instemmen?
                ‘Lijkt me helemaal gezellig,’ zeg ik vlug.
                Hij lacht zijn tanden bloot en steekt zijn hand naar me uit. Ik zie dat zijn ogen glanzen en mijn hart zingt. ‘Kom maar mee, ik weet wel een leuk plekje. Moeten we wel even een stukje lopen, maar ik vermoed dat het daar in ieder geval iets rustiger is dan hier.’
                We beginnen ons door de menigte heen te wringen, maar voor we de rand van het plein hebben bereikt, schiet zijn hand uit die van mij. Voor ik weet wat er gebeurt, ben ik een andere richting op geduwd en ben ik hem kwijt.
                ‘Stijn!’ roep ik, terwijl ik wild om me heen kijk en probeer om me terug te dringen naar het plekje waar ik zojuist stond. ‘Stijn!’
                De mensen die me omringen kijken vreemd naar me, maar ik negeer ze. Om me heen begint een waas van oranje rook te ontstaan. Het geduw wordt heviger. Met mijn ellebogen werk ik me terug, maar ik zie Stijn niet meer staan. Ik zoek naar een spoor van zijn warrige blonde haar, zijn oranje shirt en het openhangende zwartleren jack, maar hij is niet de enige met blond haar en oranje kleding aan. Daarbij wordt de oranje rook steeds dichter en het zicht wordt erdoor belemmerd. Heel even raak ik in paniek. Zou er hier nu een rel ontstaan? Is het een aanslag? Maar ondanks het geduw en de bewegende menigte, voelt het niet gevaarlijk. Ik besluit dat het veilig is. Maar Stijn ben ik kwijt. Het is zoeken naar een speld in een hooiberg.
                Uit gewoonte pak ik mijn telefoon, maar bedenk me meteen dat ik zijn telefoonnummer helemaal niet heb. Wel zie ik dat ik vijf gemiste oproepen, drie sms’jes en tien ongelezen WhatsApp berichten heb. Ik open WhatsApp en zie dat de meeste berichten van Nicole zijn.
                9:55 uur Waar ben je?
                10:10 uur Ariane, we zijn je kwijt. Reageer even!
                10:15 uur Wij staan vlakbij het monument
                10:20 uur Laat even wat horen! Gaat alles goed?
                10:35 uur Dat was gaaf hè. Heb je het goed kunnen zien? Kom je naar het monument?
                10:50 uur We wachten op je voor de Bijenkorf
                10: 55 uur Kom je nog? We wachten nog 5 minuten
                Ik kijk naar de tijd. De laatste app is één minuut geleden verstuurd. Vertwijfeld kijk ik om me heen of ik Stijn kan vinden, maar nog altijd is hij nergens te bekennen. Met een zucht raak ik mijn scherm aan en type een berichtje terug:
                Wacht op me, ik kom er nu aan.
                Terwijl ik me naar de Bijenkorf begeef, blijf ik om me heen kijken, nog altijd hopend op een spoor van Stijn. Maar vanbinnen weet ik dat ik hem niet terug zal vinden. Ik baal als een stekker. Hij is leuk. Ik wilde dat ik de kans had gekregen om hem iets beter te leren kennen. Maar ik weet niet eens zijn achternaam, dus het zal praktisch onmogelijk worden om hem op te sporen.
                Misschien komt hij hier de volgende feestdag weer naartoe, schiet het door me heen. In gedachten probeer ik te bedenken wanneer de volgende feestdag is. Bevrijdingsdag, vijf mei. Of wacht eens. De avond daarvoor is het Dodenherdenking. Ik neem me voor om hier dan weer naartoe te komen en op dezelfde plaats te gaan staan. Heel misschien, als hij mij ook leuk vindt, komt hij ook wel…


2. DODENHERDENKING


Voor alle soldaten,
Die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor ons Nederland hebben gevochten
 En die onze vrijheid met hun leven hebben betaald.
Respect…

Rusteloos schuif ik heen en weer op de zitting van mijn stoel, terwijl mijn blik door het treinstel dwaalt. Onder mijn voeten, onder de vloer van de trein, schieten kilometers voorbij. Iedere kilometer brengt me dichterbij. Mijn nagelriemen doen pijn, doordat ik onophoudelijk op mijn nagels heb gebeten. Zou hij er zijn? Zou hij, net als ik, hopen dat we elkaar terugzien?
                Toch voelt het een beetje dubbel. Normaal gesproken ga ik altijd met dodenherdenking naar het centrum van Dronten. Ondanks dat het één van Nederlands jongste gemeentes is, heeft het dorp toch een eigen oorlogsmonument, het Vliegersmonument, dat onder andere bestaat uit de propeller van een neergestorte Lancaster bommenwerper ED 357. Hier worden tijdens de herdenkingsdienst altijd kransen gelegd. Wat ik altijd erg indrukwekkend vindt is dat er jaarlijks ook talloze Airgunners naar Dronten komen om de dodenherdenking hier mee te maken. Vorig jaar waren het er nog achttien, dit jaar nog maar dertien, waarvan de jongste net achtentachtig is geworden. Als kind ging ik hier met mijn ouders naar kijken, maar toen ik ouder werd bleef ik zelf ook naar deze avond gaan. Het is het minste wat we met elkaar kunnen doen om respect te tonen voor de gevallen soldaten die voor onze vrijheid streden. Ik ken niemand van die gevallen soldaten, maar de Airgunners… Het waren hun collega’s. Hen daar in uniform te zien staan en om hen met hun gerimpelde huiden onder zo’n zware krans te zien strompelen om die collega’s hun respect te getuigen, brengt ieder jaar opnieuw tranen in mijn ogen en een brok in mijn keel.
                Nu in de trein voel ik een lichte heimwee naar dit plein en deze oude boordschutters. Toch kon ik me er niet toe zetten om thuis te blijven. Ik wil Stijn zo graag weer terugzien en ik kan deze kans niet voorbij laten gaan, hoewel de kans dat ik hem zal vinden wel heel minimaal is.
                Naast me zit Nicole. Ze is zo lief om met me mee te gaan, zodat ik niet in mijn eentje door Amsterdam hoef te dwalen. Ze strijkt haar blonde haar achter haar oor en schenkt me een glimlachje.
                ‘Kom op,’ zegt ze enthousiast. ‘Je zult zien, we gaan hem vinden. Waar is die glimlach?’
                Mijn mondhoeken krullen omhoog. Ze heeft vast gelijk.

Het is druk op de Dam. Megadruk. Ik had me voorgenomen om me weer naar ‘ons plekje’ te begeven, maar ik zie nu dat ik helemaal niet goed heb opgelet. Bij de abdicatie stond het paleis op de Dam centraal, maar vanavond, bij dodenherdenking, staat het monument centraal. De afzettingen op het plein zijn dan ook helemaal anders dan die van afgelopen dinsdag. Ik vloek in stilte.
                ‘Wat nu?’ vraagt Nicole.
                Ik haal mijn schouders op. ‘Volgens mij was het daar ergens ongeveer.’
                We lopen een grote menigte in en persen ons een weg naar wat naar mijn idee ‘ons plekje’ is. Maar voor we daar aankomen, stuiten we op een hek. Ik zucht en kijk Nicole aan. ‘Volgens mij was het daar.’ Achter het hek is een gangpad en daarachter staan andere hekken om de menigte daar tegen te houden. ‘Daar gaan we dus nooit terechtkomen.’
                Nicole slaat een arm om me heen. ‘Balen zeg.’ Ze legt een hand tegen het hek. ‘We hebben zo wel een mooi uitzicht op de ceremonie zeg!’
                Ze heeft gelijk. Doordat naast ons een gangpad is, hebben we een duidelijke doorkijk op het monument, dat bekendstaat als het Nationaal Monument op de Dam. Dit is het belangrijkste monument voor de herdenking van de Tweede Wereldoorlog in Nederland en staat Ieder jaar centraal bij de Nationale Dodenherdenking.
                Ik laat mijn ogen er overheen glijden. Het monument bestaat uit een hoge betonnen pyloon van ruim twintig meter hoog met daarop het beeld van een vrouw met een kind. Dit beeld symboliseert de vrede. Daaronder, in reliëf, staan vier geboeide mannen. Zij staan symbool voor de oorlog. Zowel rechts als links van hen staan twee mannen uit het verzet met huilende honden. Zij stellen smart en trouw voor. Dan staan er voor het monument nog twee leeuwen en om de pyloon staat een gebogen muur. In deze muur staan twaalf urnen met aarde. De aarde is afkomstig van fusillade- en erebegraafplaatsen uit de toenmalige elf provincies en uit het voormalig Nederlands-Indië. Ik vind het idee erg mooi.
                Dan ineens valt mijn oog op de menigte achter het hek aan de andere kant van het gangpad. Helemaal vooraan, met zijn vingers in de mazen van het hek gehaakt, staat een jongen van mijn leeftijd. Zijn haar is blond en is verwaaid tot een warrig vogelnest. Hij draagt een openhangend leren jack, een oranje shirt en een nonchalante spijkerbroek. Mijn mond wordt droog terwijl mijn ogen hem verslinden. Het liefst zou ik zijn naam schreeuwen, maar ik durf niet zo goed. In plaats daarvan breng ik mijn arm omhoog en zwaai naar hem. Het duurt even voor hij het ziet, maar dan haken zijn ogen zich vast aan de mijne. Ondanks de afstand zie ik zijn mondhoeken omhoog krullen. Zijn vingers haken zich steviger vast in het hek. Ik laat mijn arm zakken en kopieer zijn gebaar.
                Dan wordt er ineens omgeroepen dat de koning eraan komt. Het wordt doodstil op het plein, terwijl koning Willem-Alexander en koningin Máxima zich naar voren, naar het monument, begeven. Gelukkig hangt er ook een groot scherm, waarop alles goed te zien is. Het valt me op dat koningin Beatrix… eh… prinses Beatrix er niet bij is.
                Een man stapt achter de microfoon en schraapt zijn keel. Tijdens de Nationale Herdenking herdenken wij allen - burgers en militairen - die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties. Alle herinneringen daaraan komen samen tijdens de Nationale Herdenking. Om 20.00 uur is het overal in Nederland twee minuten stil. Twee minuten, waarin we ons realiseren dat we hier in vrijheid twee minuten stil kunnen en mogen zijn. Ter nagedachtenis aan allen die zijn omgekomen, leggen zijne Majesteit de Koning en hare Majesteit de Koningin de eerste krans bij het Nationaal Monument.’*
                Mijn ogen fladderen weer naar opzij en ontmoeten daar die van hem. Terwijl we elkaar aankijken opent hij zijn mond en vormt met zijn lippen overdreven het woordt ‘MOOI’, waarna hij zijn handen langs zijn lichaam naar beneden brengt. Ik bloos licht en kijk naar beneden. Ik draag een zwart jurkje met oranje accenten. Eigenlijk wilde ik dezelfde jurk aan als dinsdag, maar het leek me niet zo gepast om op een avond van nationale rouw in een knaloranje jurk te verschijnen.
                Ik sla mijn blik weer op en vorm met mijn mond de woorden ‘DANK JE!’
                Dan ineens ben ik me ervan bewust dat de toespraak voorbij is. Mijn ogen vliegen omhoog, naar het scherm en ik zie nog net hoe koning Willem-Alexander en koningin Máxima de treden naar het monument opstappen met een grote krans in hun handen, daarbij begeleid door de muziek van een orkest.
                Dan verschijnt er een trompettist. Ik weet wat er nu gaat komen. In Dronten is er ook altijd een trompettist die het taptoe-signaal speelt. En ja hoor, snerpend klinken de eerste tonen over het plein. Meteen staan de haartjes op mijn armen recht overeind en er groeit een brok in mijn keel. Als de laatste klanken van de trompet wegsterven, wordt het doodstil op het plein. De twee minuten van stilte zijn begonnen. Ik doe mijn best om niet naar Stijn te kijken, maar dat is niet gemakkelijk. Daarom sluit ik mijn ogen om me beter te kunnen concentreren. Ik denk aan de soldaten die voor ons hebben gevochten, maar daarbij zelf het leven lieten. Ik denk aan de vrouw en kinderen van deze mannen. Aan het feit dat deze mannen wellicht met eer zijn gestorven, maar dat hun gezinnen weinig aan eer hadden en dat zij liever een echtgenoot, een vader hadden gehad. Dat hun ellende onze vrijheid mogelijk heeft gemaakt. Ik denk aan mijn opa’s en oma’s, die de oorlog allemaal nog hebben meegemaakt. Aan mijn opa, die nog in een gebombardeerde trein heeft gezeten en daar gelukkig levend uit is gekomen. Aan mijn oma, die in het westen woonde en zo’n honger had tijdens de oorlog dat ze uiteindelijk bloembollen heeft moeten eten om te overleven. Aan mijn andere oma, die in Drenthe bij haar ouders op een boerderij woonde, waar ook onderduikers verborgen werden. Ik denk aan alle ontberingen die zij hebben moeten ondergaan en voel dankbaarheid voor het offer dat de soldaten hebben gebracht, voor onze vrijheid.
                Ik open mijn ogen en zoek Stijn met mijn blik. Mijn mondhoeken krullen omhoog als ik zie dat hij al die tijd al naar mij stond te kijken.
                Het orkest begint te spelen. Ik herken de tonen van ons volkslied en zing mee. Ik zie dat Stijn aan de overkant ook is begonnen met zingen. Onze blikken zijn met elkaar versmolten en terwijl we beiden zingen, lijkt de menigte om ons heen af te brokkelen, tot alleen wij tweeën nog over zijn. Dan is het volkslied afgelopen en het moment voorbij.
                Studente Roos Reinartz wordt aangekondigd. Ze leest een zelfgeschreven gedicht voor. Het duurt niet lang, maar is mooi en herkenbaar. Als ze wegloopt, wordt het leggen van drie kransen aangekondigd. Ik draai mijn hoofd weer om naar Stijn. Zijn blik is nog naar het scherm gericht en ik bestudeer hem nu indringend. Het valt me nu pas op dat hij wel dezelfde kleding draagt als de vorige keer. Mijn hart maakt een sprongetje. Zou hij hetzelfde voelen als ik? Zou hij daarom dezelfde kleding hebben aangetrokken, zodat ik hem zou herkennen? Het lijkt er immers op dat hij ook op weg was naar ‘ons plekje’.
                Ik kijk geschrokken op als een stem door de luidsprekers klinkt. Op het scherm is een man achter de microfoon verschenen, meneer Van Uhm. Ik bereid me voor op een stijve toespraak, maar ben verrast door zijn woorden. Hij vertelt over zijn vader en wat die hem heeft bijgebracht over de oorlog. Hoe hij uiteindelijk besloot dat hij wilde dienen en dat hij later, toen hij zelf vader was, ook zijn zoon wilde bijbrengen wat het belang van dienen was. Hoe dit erin resulteerde dat zijn zoon uiteindelijk ook ging dienen, maar ook hoe die zoon vervolgens sneuvelde en de troost die hij wist te halen uit de eerstvolgende dodenherdenking. Als zijn toespraak ten einde is gekomen, krijgt hij een warm applaus. Ik klap driftig mee. Voor mijn gevoel zijn dit soort toespraken meestal leeg. Woorden van een hoogwaardigheidsbekleder die door een communicatieafdeling zijn voorbereid. Maar deze man spreekt vanuit zijn ervaring. Vanuit zijn hart.
                Mijn aandacht glijdt weer weg als de volgende kransleggers ten tonele verschijnen. Ik kijk weer opzij, naar Stijn. Hij brengt zijn hand omhoog en opent dan zijn hand, vingers gespreid. Zijn vingers vouwen zich weer naar binnen en openen zich dan weer. Vijf vijf. Vijf vijf… Wacht eens even… Vijf mei! Ik glimlach naar hem en steek mijn duim op. Hij lacht terug en wijst naar beneden. Vijf mei, op deze plek. Ik steek opnieuw mijn duim op.
                ‘Wie is dat?’ Nicole legt haar hand op mijn schouder.
                ‘Dat is hem,’ zeg ik stralend. ‘Dat is Stijn. En hij komt hier morgen weer naartoe!’
                Ik kijk opnieuw op en zie dat Stijn net opnieuw een gebaar aan het maken is. Hij wist naar zijn pols. Pols… Horloge… Tijd! Hij steekt nu beide handen ophoog, vingers gespreid. Morgenochtend om tien uur hier. Ik steek nogmaals mijn duim op.
                ‘O, wauw,’ zegt Nicole en wijst naar het scherm. Ik kijk op en hoor nog net de uitleg uit de luidsprekers komen dat nu 68 kinderen bloemen bij het monument zullen leggen. 68, voor ieder jaar vrijheid één. De kinderen komen van basisscholen uit Amsterdam centrum en ze dragen allemaal drie bloemen; één rode, één witte en één blauwe. We kijken toe hoe ze in een lange rij naar het monument lopen en de bloemen neerleggen.
                Mijn gedachten glijden alweer weg. Ik hoop dat ik Stijn hier morgen weer zal zien en dat we dan een kans krijgen om te praten en nummers uit te wisselen. Als mijn ogen weer zijn kant op gaan, zie ik dat zijn plekje bij het hek leeg is.

* Deze tekst heb ik gevonden op http://nl.wikipedia.org/wiki/Nationale_Dodenherdenking


3. BEVRIJDINGSDAG


Voor alle personen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet voor een vrij Nederland,
Want dankzij hun inzet wonen wij in een land zonder bezetter,
In vrijheid.
Daarvoor kunnen wij niet dankbaar genoeg zijn

Ik word wakker in een kluwen van dekens en het duurt even voor ik me herinner waar ik ben. Dan ontwaakt ook mijn geheugen en de herinneringen komen langzaam terug. Ik zie mezelf weer staan op dat overvolle Damplein en Stijn staat voor me. Enkel een breed gangpad en twee hekwerken scheiden ons. Ik herinner me weer hoe hij met gebaren duidelijk maakte om de volgende dag, vandaag dus, af te spreken. Toen had Nicole voorgesteld om die neef van Fedde, Lars, te bellen, waar we koninginnenacht ook hadden geslapen. Hij had nogal verbaasd geklonken toen we belden, maar hij vond het geen probleem.
                Nu lig ik op een dun matje in zijn woonkamer. Nicole ligt vlak naast me, op de bank. Aan haar ademhaling te horen, slaapt ze nog. Dat verbaast me ook eigenlijk niet, want het is laat geworden gisteren. Ik verdenk Nicole en Lars ervan dat ze elkaar leuk vinden. Ze hadden vannacht in ieder geval geen van beiden zin om te gaan slapen. Uiteindelijk was ik de eerste die ging slapen en ruim een uur later was ik even wakker geworden toen Nicole op de bank plofte.
                 Ik kijk op mijn telefoon voor de tijd. Negen uur. Tijd om op te staan, als ik tenminste om tien uur op het Damplein wil staan. Vlug sta ik op en gris mijn jurkje van de grond. Ik vrees dat het opnieuw de zwarte is; aangezien ik vannacht niet thuis ben geweest, zal ik het daar vandaag mee moeten doen, hoewel ik liever mijn oranje jurkje aan had getrokken.
                Als ik mezelf heb opgekalefaterd, schud ik Nicole met een grijns door elkaar. Met een kreun wordt ze wakker en kijkt me met een moordende blik aan. ‘Ik hoop dat je een goede reden hebt,’ gromt ze, onderwijl diep gapend.
                ‘Zeker weten,’ verzeker ik haar. ‘Die reden heet Stijn. Kom op, onder die dekens vandaan!’
                Nicole sleept zich van de bank af en doet een poging om zich weer toonbaar te maken. Net als we op het punt staan om weg te gaan, gaat de slaapkamerdeur open en wandelt Lars in zijn boxershort naar buiten. Met grote ogen kijkt hij ons aan, terwijl zijn hand naar zijn piekerige haar gaat, om het nog verder in de war te brengen.
                ‘Goedemorgen,’ zeg ik uitgestreken, terwijl Nicole naast me giechelt.
                ‘Goedemorgen. Jullie zijn vroeg op,’ zegt Lars onthutst.
                ‘Ja, ik heb om tien uur een date,’ zeg ik met een knipoog.
                ‘O.’ Even blijft het stil. Dan schieten zijn ogen naar Nicole. ‘En jij?’
                ‘Tja, ik ben beste vriendin. Aanhangsel dus.’
                Zijn ogen schieten naar beneden en ik zweer dat ik zijn wangen enkele tinten warmer zie worden. ‘Ik ga het niet redden om meteen met jullie mee te gaan. Doe me je nummer anders even, dan zoek ik jullie zo wel op in de stad.’ Uiteraard gaat het niet om mijn nummer.

Het is al vijf over tien als we hijgend het Damplein op stormen. Mijn ogen schieten gejaagd heen en weer tussen de groepjes mensen die hier verspreid staan. Gelukkig is het nog niet erg druk. Wel draagt iedereen hier oranje. Ik voel me lichtelijk uit de toon in mijn zwarte jurkje. Gelukkig had ik er gisteren nog wel wat oranje versiersels op gedaan; een oranje bloem en een oranje riempje. Dat maakt het tenminste nog een klein beetje feestelijk.
                Dan bereiken we eindelijk ‘ons plekje’. Even denk ik dat hij niet is gekomen, dat ik hem verkeerd heb begrepen. Maar dan zie ik hem staan. Inmiddels zou ik hem uit duizenden herkennen. Mijn handen jeuken om door zijn warrige blonde haren te gaan. Mijn ogen vragen erom te verdrinken in zijn donkerblauwe exemplaren. Maar voorlopig moeten ze genoegen nemen met het indrinken van de uitgezoomde versie. Mijn mondhoeken krullen omhoog, terwijl mijn ogen hongerig over zijn zwarte leren jasje, zijn oranje shirt en zijn stoere spijkerbroek glijden. Ja, hij is het echt.
                ‘Goedemorgen,’ begroet ik hem, ineens toch een beetje verlegen. Ineens weet ik niet goed meer hoe ik dit moet aanpakken. Dit soort dingen doe ik normaal gesproken nooit.
                ‘Goedemorgen,’ grijnst hij terug. ‘Je bent toch gekomen.’
                ‘Ja, sorry,’ verontschuldig ik ons. ‘We hebben hier gelogeerd en Nicole hier…’ ik sleur haar achter me vandaan, ‘kon niet onder de warme dekens vandaan komen vanochtend.’
                Nicole kijkt me nijdig aan. ‘En bedankt! Heb ik me voor jou opgeofferd om hier te blijven logeren en dan doe je zo.’
                Stijn grinnikt. ‘Hai, ik ben Stijn. Stijn Vrezenwijk.’ Hij steekt zijn hand uit naar Nicole.
                ‘Nicole Schippers,’ stelt ze zich, gelukkig een beetje vriendelijk, voor.
                Stijn richt zijn blik vragend op mij en ik slik. ‘Sorry, ik heb me natuurlijk nog niet volledig voorgesteld,’ besef ik me ineens. ‘Ariane de Vries.’
                ‘Moest je ver reizen naar huis, aangezien je vannacht hier bent gebleven?’ vraagt hij nieuwsgierig.
                Ik haal mijn schouders op. ‘Ik woon in Dronten. Toch nog wel een stukje reizen met de trein.’
                ‘Dronten?’ echoot hij. ‘Grappig, dan wonen we helemaal niet zo ver bij elkaar vandaan. Ik kom uit Zwolle.’
                Nu is het mijn beurt om hem te herhalen. ‘Zwolle? Daar ga ik volgend jaar studeren!’
                Zijn lach wordt breder. ‘Waar?’
                ‘Aan het Windesheim. Communicatie.’
                ‘Dat is toevallig. Ik doe daar de lerarenopleiding Engels. Net dit jaar begonnen.’
                Ik krijg het warm vanbinnen. Ik ga volgend jaar studeren in de plaats waar Stijn woont en al aan het studeren is!
                ‘Hebben jullie al ontbeten?’ vraagt Stijn.
                ‘Nee. En ik heb honger als een paard,’ klaagt Nicole met een grijns.
                ‘Daar weet ik wel wat op.’ Stijn knipoogt naar ons. ‘Kom maar mee.’

Niet veel later zitten we heerlijk te genieten in een kleine lunchroom, ook nog eens op weg naar de Westergasfabriek, waar vandaag één van de bevrijdingsfestivals gesitueerd is. Nicole vraagt Stijn brutaal de ene na de andere vraag en stiekem ben ik blij dat ik Nicole heb meegenomen. Als ik hier alleen met hem had gezeten, had ik vast geen woord uit kunnen brengen. Nu kom ik, door Nicoles vragen, tenminste nog iets over hem te weten. Dat hij hier vannacht weer bij zijn vader heeft gelogeerd bijvoorbeeld.
                Toch is het niet altijd even leuk om Nicole erbij te hebben, want haar volgende vraag is: ‘Ben jij hier ook speciaal voor Ariane naartoe gekomen?’
                Nicole… kreun ik in stilte. Kan het nog gênanter? En door het gebruik van het woordje ‘ook’ is natuurlijk meteen helemaal duidelijk met welk doel ik hier ben. Mijn ogen plakken vast aan het tafelblad en bestuderen de gemarmerde structuur dat op het plastic blad is aangebracht. Mijn hersenen doen een poging om zich in korte tijd de geheimzinnige krachten van telekinese eigen te maken, in de hoop een gat onder mijn voeten te maken waarin ik kan verdwijnen.
                ‘Zijn er dan nog meer mensen die speciaal voor Ariane naar Amsterdam zijn gekomen?’ vraagt Stijn. Zijn stem klinkt verrast, maar als ik opkijk en zijn ogen ontmoet, zie ik de plagende glinstering. Dan wordt zijn blik serieus. ‘Na dinsdag had ik het idee dat we nog lang niet uitgesproken waren.’
                Ik kan er niets aan doen, maar vlammen schieten naar mijn wangen en ik glimlach verlegen. ‘Dat idee had ik ook,’ beken ik kleintjes.
                ‘Ha, dat is nog zacht uitgedrukt,’ verraadt Nicole me. Gelukkig word ik op dat moment gered, want haar telefoon gaat met veel kabaal af. ‘Lars!’ zegt ze met een brede grijns, vlak voor ze opneemt. Ik hoor haar vaag uitleggen waar we zitten, maar mijn blik wordt alweer naar Stijn gezogen.
                ‘Zin om zo nog even naar de Westergasfabriek te gaan?’ stelt Stijn voor.
                ‘Gezellig,’ knik ik. Dan schiet me ineens iets te binnen, maar ik voel me te verlegen om het te vragen.
                ‘Is er iets?’ vraagt Stijn, terwijl hij een rimpel in zijn voorhoofd trekt.
                ‘Ik vroeg me gewoon af… Wilde je vandaag niet liever met je vrienden afspreken? Het is per slot van rekening Bevrijdingsdag.’ Ik kijk hem verlegen aan vanonder mijn wimpers.
                Stijn haalt zijn schouders op. ‘Mijn vrienden komen straks naar de Westergasfabriek. Ik was van plan om hen te laten weten waar we staan zodra ze aankomen.’ Hij haalt diep adem, voor hij verdergaat: ‘Maar ik wilde jou graag nog even zien voor ze aankomen. Met hen erbij krijg ik vast die kans niet meer. Dan doen ze vast allemaal hun best om je in te pikken.’
                Mijn hart maakt een sprongetje bij zijn laatste woorden en onhandig strek ik mijn hand naar hem uit. Voorzichtig legt hij zijn hand over die van mij en de warmte van zijn huid trekt onmiddellijk in die van mij. Ik begin een idee te krijgen hoe spontane zelfontbranding moet voelen.
                ‘Tijd om te gaan,’ kondigt Nicole ongeduldig aan, terwijl ze al staand haar laatste slok naar binnen giet.
                Haastig prop ik de laatste happen van mijn broodje naar binnen en Stijn loopt naar de kassa.
                ‘Wat krijg je van me?’ vraag ik hem als we buiten staan.
                Hij bloost licht. ‘Klinkt het heel afgezaagd als ik hierop antwoord: je nummer?’
                Ik grinnik. ‘Die had je zo ook mogen vragen hoor.’
                Een beetje onwennig lopen we richting de Westergasfabriek, met Nicole voorop. Schijnbaar heeft ze ineens haast om daar te komen. Ik vermoed dat het iets met Lars te maken heeft. Terwijl we door de straten van het centrum dwalen, wend ik mijn blik omhoog. Rood-wit-blauwe vlaggen hangen overal aan de huizen. Ineens vraag ik me af hoe het er op 5 mei 1945 uitgezien moet hebben. Ik heb wel eens horen zeggen dat mensen toen overal vlaggen van maakten, onder andere door rode, witte en blauwe kleding naast elkaar op de waslijn te hangen. Ieder jaar Bevrijdingsdag moet slechts een fractie van het gevoel van toen zijn, kan ik me zo voorstellen. De blijdschap die de mensen toen gevoeld moeten hebben… Daar kan geen herdenkingsdag tegenop.
                Naarmate we dichterbij komen, wordt het drukker op straat en het oranje wordt overheersender. Ik ben zo druk om me heen aan het kijken, dat ik pas doorheb dat ik Stijn ben kwijtgeraakt als het al te laat is. Nee toch, niet weer! Ik draai me om mijn as, grijp Nicole bij haar arm om te voorkomen dat ik haar ook nog kwijtraak en schreeuw zijn naam. ‘Stijn!’ Enkel een paar mensen naast me kijken me vreemd aan, maar van Stijn is geen spoor meer te bekennen. Teleurstelling borrelt omhoog en ik voel tranen opwellen. Twee keer speciaal naar Amsterdam om hem te vinden en nu ben ik hem alweer kwijtgeraakt…
                Ik schrik op als mijn telefoon trilt. Ik graai in mijn tasje en kijk op het scherm. Een melding van Facebook: Stijn Vrezenwijk nodigt u uit om vrienden te worden. Ik weet niet hoe snel ik de toetsvergrendeling eraf moet halen om hem te accepteren. Vrijwel meteen krijg ik een privébericht binnen: waar sta je? Ik ben jullie kwijtgeraakt.
                Ik kijk om me heen en zie een podium. Wij staan links bij het eerste podium op het terrein, stuur ik terug, terwijl ik Nicole meesleur naar het podium. Het duurt even, maar dan duikt hij ineens voor ons op. Vlak achter hem staat Lars.
                ‘Je hebt het gevonden,’ zegt Nicole blij en loopt naar hem toe.
                Ik blijf even onwennig naar Stijn kijken en dan kruipt er een brede grijns op mijn gezicht. ‘Slimme zet, Facebook.’
                Hij haalt zijn schouders op. ‘Handig, een achternaam en woonplaats.’ Hij grinnikt. ‘Je wilt niet weten hoeveel Arianes ik de afgelopen dagen heb uitgekamd op Facebook.’
                ‘Serieus?’ Dan moet hij me echt wel heel leuk vinden. Ik doe een stapje dichter naar hem toe. Meteen voel ik zijn warme handen op mijn ellebogen en hij trekt me nog dichter naar zich toe.
                ‘Serieus.’  Zijn stem klinkt zacht en is amper hoorbaar boven de herrie. Toch kan ik ineens perfect liplezen. Dan buigt hij zich langzaam voorover en alle adem verlaat mijn lichaam. Iedere vezel in mijn lijf komt in beweging als hij zijn lippen tegen die van mij zet. Mijn ogen vallen dicht, terwijl mijn eigen lippen zich aan die van hem vastklemmen. Zacht nodigt zijn tong de mijne uit. Ik sla mijn armen stevig om hem heen en trek hem nog wat dichter tegen me aan. Achter mij doen zijn armen hetzelfde, waardoor we elkaar in een liefkozende houdgreep nemen.
                ‘Zo, jullie zijn me daar een feestje aan het bouwen,’ klinkt een plagende stem achter ons. Met tegenzin maak ik me los van Stijn en kijk naar het groepje jongens wat bij ons is komen staan.
                ‘Ha, jullie hebben ons gevonden,’ zegt Stijn.

-EINDE-




Maandag 10 december 2012
Op dit moment ben ik druk bezig met het schrijven van Sirene, het vervolg op Muze. De proloog hiervan heb ik oorspronkelijk geschreven als bonusverhaal, ter promotie van Muze. Echter, het paste zo mooi in de verhaallijn, dat ik dit korte verhaal, dat eerst de titel Verstilde nacht droeg, als proloog heb toegevoegd aan Sirene. Overigens speelt dit verhaal zich drie maanden vóór hoofdstuk 1 van Muze af en verraadt dus in principe niets over de verhaallijn!


PROLOOG
- Jasper -
Hun rouw verander ik in vreugde, ik troost hen
Jeremia 31, vers 13

Parijs, drie maanden eerder

In gedachten verzonken staarde ik naar de binnenkomende treinen. In één daarvan, waarschijnlijk nog op weg naar bestemming Gare du Nord, zouden mijn ouders en zusje Isabella zitten. Ik had hen bijna een half jaar geleden achtergelaten in Nederland en ik was blij om ze weer te zien. Toch bevroor diep binnenin mij ook een stukje, want ik wist dat er iemand in die trein ontbrak. Onmiddellijk schoot er een deel van Thomas Hardy’s gedicht door mijn gedachten: ‘We kissed at the barrier; and passing trough, She left me, and moment by moment got Smaller and smaller, until to my view She was but a spot.’[1]
  Met veel kabaal koos de TGV juist dat moment uit om het station binnen te rollen. Ik stond op van het bankje en streek mijn jas recht. Verwachtingvol keek ik naar de rij van ramen. Net televisieschermen, die allemaal een blik in iemand anders’ leven boden. Er waren ramen waarachter mensen zich gehaast naar de dichtst bijzijnde uitgang begaven. Er waren ramen waarachter mensen boze gebaren aan het maken waren. Het mooist vond ik het raam waarachter ik een oude man zijn hoogbejaarde vrouw liefdevol bij de hand zag pakken om haar te helpen met opstaan. Onmiddellijk bevroor er een nieuw stukje in mij.
  ‘Boe!’ Twee handen klauwden zich in mijn zijden en verschrikt zoog ik mijn longen vol lucht. Nog voordat ik me omdraaide, wist ik wie daar zou staan. Isabella, uiteraard compleet met haar plagerige pretogen en kind-met-kerst-grijns.
  ‘Vrolijk kerstfeest!’ Ik kreeg niet eens de kans om iets terug te zeggen voor ze me smoorde in een halve wurgknuffel. Toen ze me eindelijk weer losliet, zag ik dat mijn ouders achter haar stonden. Net als een halfjaar geleden, zag ik de zorgen in hun blik nu ze naar me keken. Ik slikte en deed behoedzaam een stap naar voren. ‘Dag pap en mam. Fijn kerstfeest.’ En ik omhelsde hen.

‘Nou Jasper, je woont hier tof,’ zei Isabella goedkeurend. Na aankomst in Parijs hadden we eerst onze ouders naar hun hotel gebracht en daarna waren Isabella en ik naar mijn appartement gegaan, waar ze de komende dagen zou logeren. Ik had haar zojuist een rondleiding door mijn appartement gegeven en ik wist niet of ik het helemaal met haar opmerking eens was. Ik woonde in een klein rotappartementje waar ik me ook nog eens een slag voor in de rondte moest werken. Maar aan de andere kant… Het lag niet zo ver van het centrum van Parijs. ‘Maar je mag hier wel eens opruimen.’
  Enigszins beledigd keek ik op bij het horen van haar woorden. Ik had de avond ervoor nog een paar uur gespendeerd aan het opruimen van alle rondslingerende troep. En ik had natuurlijk ruimte moeten maken voor Isabella. Mijn appartement was niet zo groot dat ik standaard een opgemaakt logeerbed klaar had staan. ‘En bedankt,’ bromde ik.
  ‘Dus dit wordt mijn bed?’ Ze wees naar de stretcher die ik midden in mijn woonkamer voor haar had opgemaakt.
  Ik knikte. ‘En daar kun je je spullen in kwijt.’ Ik liep naar een grote kist en opende hem voor haar. Met een plof liet ze meteen haar tas erin vallen. Daarna liet ze zich op de stretcher zakken.
  ‘Vertel. Wat heb je hier allemaal uitgespookt de laatste tijd?’ Ze trok haar lippen weer in die echte Isabella-grijns.
  Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon. Geleerd. Geschilderd. Kunst bekeken.’
  ‘Is dat alles?’ Ik kon aan haar stem horen dat ze teleurgesteld was. ‘Geen wilde feestjes midden in Parijs? Geen exotische vrienden? Geen verhalen die anderen nooit zouden beleven?’ Toen ze zag dat ik mijn hoofd schudde, zuchtte ze: ‘Dan heb ik in Utrecht zelfs nog meer beleefd.’
  ‘Maar wat versta je onder exotische vrienden?’ vroeg ik grijnzend.
  ‘Alles wat niet Nederlands is natuurlijk,’ vond Isabella.
  ‘Tja, dan heb ik inderdaad exotische vrienden gemaakt. Veerle komt uit België en Celeste, Paulette en Laurent komen uit Parijs en omgeving.’
  ‘Hmmm… Drie meiden! Zit er een leuke tussen?’ Ze vroeg het op een suggestieve toon.
  Mijn stemming daalde en mijn longen bevroren. Ik merkte dat mijn ademhaling moeizaam ging. ‘Niet doen,’ bracht ik kortaf uit.
  ‘Kom op, Jasper,’ drong Isabella aan. ‘Je hebt toch wel een paar leuke meiden ontmoet?’
  Ik deed een paar stappen naar achteren, weg bij Isabella. ‘Ophouden nou.’ Het klonk minder krachtig dan ik wilde.
  ‘Je kunt niet eeuwig om Nettie blijven treuren,’ ging ze stug verder, maar bij mij knapte er iets.
  ‘Houd je mond over Nettie,’ siste ik en ik draaide me resoluut om. Godzijdank had ik een aparte slaapkamer en was dit geen één-kamer-appartement. Dat had ik nooit getrokken. Nu kon ik de deur achter me dichttrekken en me opsluiten in mijn eigen ruimte. Dankbaar zag ik de schildersezel staan en ik zette er een nieuw doek op. Met strakke hand trok ik een paar lijnen en binnen een minuut had ik de contouren van een trein op het doek geschetst. We kissed at the barrier; and passing trough, She left me…’

‘Kerstmis vieren in de Notre Dame van Parijs,’ zuchtte mijn moeder, terwijl we uit de metro stapten. ‘Dit wordt denk ik wel één van de meest bijzondere kerstdiensten die we gaan meemaken.’
  Ik ademde diep in en keek vervolgens naar de wolkjes die ik uitademde in de koude decemberlucht. Met een glimlach diepte ik enkele regels op uit mijn geheugen van één van Lord Tennysons’ gedichten: ‘Ring out the old, ring in the new, Ring, happy bells, acros the snow: The year is going, let him go; Ring out the false, ring in the true. Ring out the grief that saps the mind, For those that here we see no more.’[2]
  ‘Zit je nu alweer te piekeren,’ mopperde Isabella, terwijl ze me een juist geplaatste por tussen mijn ribben gaf.
  Ik dook in elkaar bij de impact en vroeg me voor de zoveelste keer af hoe zo’n klein meisje zoveel schade aan kon richten.
  ‘Ik pieker niet,’ protesteerde ik. ‘Ik ben gewoon in gedachten verzonken.’ Onwillekeurig schoot het door mijn gedachten dat ik wilde dat Nettie nu naast me liep. Haar arm door die van mij gehaakt en een gevoel van lichte druk op mijn schouders door het gewicht van haar bovenlichaam dat een klein beetje naar mij toe helde. Dan zou ik haar de prachtige dingen in onze omgeving aanwijzen, tot we uiteindelijk het plein voor de Notre Dame op zouden lopen en het prachtige gebouw haar de adem zou benemen. In plaats daarvan hoorde ik nu mijn moeder inhaleren toen we het plein op liepen. Ik had het gebouw de afgelopen tijd al zo vaak gezien, dat het me niet meer zo verbaasde. Toch vond ik het nog steeds een mooi gebouw. Vanavond was het een statige silhouet die door de donkere avondlucht sneed met allemaal spotlights er omheen die wanhopig probeerden om de nacht te verjagen. Het plein was net een mierenhoop; overal waar je keek krioelden mensen in een poging om bij de ingang te komen.
  Net op het moment dat ik me bedacht dat ik weinig voor die lange rij voelde, viel mijn oog ineens op een verkeerd gerichte spotlight, die één persoon in de menigte belichtte. Mijn mond zakte een stukje open toen ik in die persoon één van mijn klasgenotes herkende. Haar naam was Arana en nu ze in die lichtstraal stond, viel me ineens op hoe mooi ze eruit zag. Ze had lang witblond haar, dat als een sneeuwwitte lawine tot op haar ellebogen viel. Nou ja, niet helemaal sneeuwwit. Ze had enkele magentakleurige lokken, die haar een beetje elfjesachtig maakten.  Ze droeg een witte panty en een lange donkergroene mantel, die tot op haar knieën kwam. Ik vond dat ze er een beetje verloren uitzag zo in haar eentje. Impulsief draaide ik me om naar mijn familie en zei: ‘Ik zie daar een klasgenoot staan. Zullen we die kant oplopen? Ik zie dat ze helemaal alleen is.’
  Mijn moeder glimlachte en knikte, terwijl Isabella natuurlijk maar één woord zei: ‘Ze?’
  Ik zei niets terug en wendde me in de richting van Arana. Ze stond nog steeds op hetzelfde plekje. Om me heen protesteerden mensen en iedere keer legde ik in mijn steeds beter wordende Frans uit dat daar een vriendin op mij stond te wachten. Eindelijk, na een eeuwigheid van protesten, op tenen staan en ruw geduw, bereikte ik haar en tikte voorzichtig op haar schouder. Terwijl ze zich omdraaide, streek haar blonde haar langs mijn wang. Het rook naar aardbeienshampoo.
  Zodra ze me zag, brak er een brede glimlach door op haar gezicht. ‘Jasper! Vrolijk kerstfeest!’
  ‘Jij ook een vrolijk kerstfeest,’ zei ik grijnzend terug.
  Op dat moment wrong Isabella zich langs me heen en keek Arana recht aan.
  Arana glimlachte naar haar en zei: ‘Joyeux Noël!’
  ‘Dit is mijn zusje Isabella,’ zei ik vlug in het Nederlands. ‘Ze praat gewoon Nederlands. Ik denk zelfs dat ze amper Frans kan verstaan.’ Ik draaide me om naar Isabella en m’n ouders. ‘Dit is Arana. Ze zit bij mij in de klas, maar ze komt oorspronkelijk uit Amsterdam.’
  ‘Aangenaam,’ zei Arana beleefd. Toen keek ze mij aan. In een tiende van een seconde registreerde ik dat ze grijze ogen had, met paarse tonen erin. Ogen waarin ik met liefde zou verdrinken. ‘Gaan jullie ook naar de kerstdienst?’ haalde ze mij uit mijn trance.
  Ik knikte. ‘Ben je hier alleen?’ Toen ze dit bevestigde, bood ik meteen aan dat ze wel bij ons kon zitten. Dat leverde me een nieuwe brede glimlach op. Waarom begreep ik niet zo goed, maar het voelde alsof er in mijn maag een heleboel kabouters aan het saltospringen waren. We gingen nu met z’n allen in de rij staan en voetje voor voetje schuifelden we naar de ingang. Ik probeerde het gesprek een beetje op gang te houden en ik zag dat Isabella me steeds verdachte blikken zond. Voor het eerst sinds Nettie begon ik me af te vragen of ik ook verdacht was.
  Eindelijk konden we naar binnen. Vlug zochten we een plekje en moesten vervolgens een hele tijd wachten voor de dienst eindelijk begon. Voor mijn gevoel vloog de tijd voorbij. Arana wees van alles aan in de kerk en kon precies benoemen hoe het heette of wat het moest voorstellen. Mijn ouders waren zo te zien diep onder de indruk en ook ik kon niet ontkennen dat ik niet had verwacht dat ze er zoveel van wist.
  Toen de dienst dan toch begon, gluurde ik even opzij. Arana zat geconcentreerd naar voren te kijken, haar handen ontspannen in haar schoot. Even sloot ik mijn ogen en stelde ik me voor dat ik een portret van haar schilderde. Zou dat portret de Mona Lisa van de toekomst kunnen worden?
  Voordat ik het wist was de dienst voorbij en ik had amper meegekregen wat er gezegd werd. Maar ja, het was de kerstdienst, dus dat was niet zo moeilijk om te raden. Naast me stond Arana op en ik volgde haar voorbeeld. Als in slowmotion volgde ik haar. Ik vergat zelfs te kijken of mijn ouders ook volgden. Voetje voor voetje schuifelden we in de rij weer naar buiten. De kou beet zich in mijn huid, maar vanbinnen gloeide ik nog na als een kooltje. We schuifelden naar de rand van het plein om op mijn ouders te wachten.
  Plotseling zag ik tot mijn verbazing een sneeuwklokje groeien en ik keek naar die vroege bloeier. Toen bukte ik me om het tengere bloempje voor haar te plukken.
  ‘Dank je,’ zei Arana en ze lachte haar tanden bloot, terwijl ik haar de bloem overhandigde. De kabouters in mijn maag begonnen aan een dubbele salto. Maak daar maar een driedubbele salto van, want daarna pakte ze kort mijn hand, voor ze zich omdraaide en verdween in de menigte. Een zin uit Romeo and Juliet borrelde op in mijn gedachten, terwijl ik haar bleef nakijken: ‘O blessed, blessed night! I am afeard, Being in night, all this is but a dream, Too flattering-sweet to be substantial.’[3] Tot ze langzaam oploste en al die tijd tintelde mijn hand.





[1] On the Departure Platform van Thomas Hardy. Uit de bundel Time’s Laughingstocks, gepubliceerd in 1910.
[2] Ring out, Wild Bells! Van Alfred, Lord Tennyson (1809-1892).
[3] Romeo and Juliet, William Shakespeare

Hopelijk vond je het leuk!

Groetjes, Marijke