maandag 31 maart 2014

#3 The Music Sessions – Crystallize

Op 15 maart publiceerde ik de eerste aflevering van The Music Sessions. Vandaag is het derde nummer op de CD Lindsey Stirling alweer aan de beurt. Het nummer heet Crystallize en is hier te beluisteren:

 Hieronder het verhaal wat ik erbij heb geschreven. Lees je liever in het Engels? Ik heb ook een Engelse vertaling geschreven. Dit wordt eerst nog gecontroleerd op correct Engels, maar zal daarna gepubliceerd worden op Doors2Dreams.blogspot.com




Hoofdstuk 3

Ik tel seconden. Zie hoe minuten verstrijken, zich aaneenrijgen tot uren. Hoe de zon langzaam tevoorschijn komt en zijn steeds bredere grijns toont aan de mensen, de wolken in brand zet en laat dampen. Ik observeer hoe de slaperige wereld om me heen langzaam ontwaakt. Al die tijd zit er een rare grijns op mijn gezicht geplakt, die een krampachtig gevoel veroorzaakt in mijn mondhoeken, maar ik krijg hem niet weg. Steeds opnieuw speelt het filmpje op de dansvloer zich achter mijn oogleden af. En als hij is afgelopen, spoelt hij automatisch terug en speelt dan weer opnieuw af. Toch laat het telefoontje van Kim uiteindelijk niet lang op zich wachten.
Nadat ik me door een hele schooldag heen heb gesleept, gaat eindelijk mijn telefoon. Zijn naam verschijnt in het scherm en meteen slaat mijn hart duizend snelle slagen, om er daarna voor even mee op te houden.
‘Met Daisy,’ neem ik bedeesd op.
‘Hé, met Kim.’ Er trekt een karavaantje over mijn ruggengraat naar beneden. Zijn stem heeft een fijn timbre; alsof hij in een laagje fluweel is gewikkeld. ‘Volgens mij heb ik jou nog iets beloofd.’
O ja? Ik knipper verrast met mijn ogen, maar wil niet laten merken dat ik zijn belofte alweer vergeten ben. ‘Ja, inderdaad!’ Zou hij het telefoontje bedoelen?
‘Dusss… Zin om aankomende zondag mee te gaan zeilen?’
Zeilen? O ja! Vaag herinner ik me dat hij zoiets heeft gezegd. Mijn mondhoeken trekken alweer in zo’n idiote grijns en het voelt alsof ik zojuist een kopje warme thee naar binnen heb gegoten. Hij vraagt me mee uit! zingt een stemmetje in mijn hoofd. Dan bedenk ik me dat ik nog steeds niets heb gezegd. ‘Eh ja, graag!’ hakkel ik. Dan meteen schiet er ook een vleugje teleurstelling door me heen. Zondag. Dat duurt nog twee dagen.
Hij slikt hoorbaar. ‘En heb je vanavond al iets te doen?’
‘Vanavond?’ Ik bijt vol verwachting op mijn lip.
‘Ja, vanavond.’

*****

‘Eh… Wat gaan we doen?’ Wantrouwend kijk ik naar Kim, die met glanzende ogen voor me staat. Hij is op de fiets naar me toe gekomen en aan zijn stuur bungelt een rieten mand. Ergens onder mijn ribbenkast bejubelt nog steeds een operazangeres mijn geluk dat Kim waarachtig in dezelfde plaats woont als ik.
‘Fietsen,’ zegt hij met een groeiende grijns.
‘Fietsen?’ echo ik, inmiddels regelrecht achterdochtig.
‘Ja, we gaan eens een mooie fietstocht maken.’
Welk gedeelte van “ik ben geen buitenmens” heeft hij in de discotheek niet begrepen? Of was hij tijdelijk doof geworden door de harde muziek?
‘Ik heb wat lekkers meegenomen,’ zegt hij en wijst naar de mand. ‘Kom, pak je fiets. Ben je warm aangekleed?’
Ik ril in mijn strategisch uitgezochte dunne truitje. Niet dus. ‘Wacht even,’ brom ik en ren de trap op naar boven. Even later storm ik weer naar beneden met een dikke trui aan. Daaroverheen komt mijn dikke jas. ‘Nu wel,’ zucht ik.
Zodra we op de fiets zitten, snijdt de wind langs mijn oren en veroorzaakt een stekende pijn bij mijn oor. Maar ik wil ook geen spelbreker zijn, dus ik doe alsof ik het heel erg naar mijn zin heb.
‘Die kant op,’ wijst Kim niet veel later.
Ik blik opzij en zie dat het pad het bos in voert. Het bos waar het nog donkerder is dan in de woonwijk. Ik kijk terug naar Kim en probeer in te schatten of hij een grapje maakt.
‘Eh… Wat ben je met me van plan?’ vraag ik voorzichtig.
Hij schiet in de lach. ‘Vertrouw je me?’
‘Dat laat ik je wel weten als ik daaruit ben,’ brom ik.
We fietsen zwijgend verder terwijl de schaduwen steeds verder naar het midden van het pad kruipen. Uiteindelijk zijn wij zelf ook twee schemerige figuren.
Dan ineens zie ik even voor me een plek die weer wat lichter is. Het blijkt een open plek te zijn waar maanlicht met de paardenbloemen speelt.
‘We zijn er,’ zegt Kim zacht. Zijn remmen knarsen en hij komt langzaam tot stilstand. Ik stop naast hem. Als hij mijn vragende gezichtsuitdrukking ziet, glimlacht hij. ‘Voor een eerste date leek het me wel leuk om met jou te gaan picknicken in het maanlicht.’
Mijn mondhoeken krullen zich weer in die stomme idiote grijns die alleen verliefde mensen dragen en die gedurende de incubatietijd redelijk chronisch is. Zijn ogen hebben een uitgelaten glans en ik zie in zijn gezicht hoe opgetogen hij is dat ik hier met hem ben. Ik smelt en word een klein poeltje tussen de paardenbloemen. Hij buigt zich voorover en kust me zacht op mijn lippen.
‘En nu gaan we lekker picknicken.’

*****

Die zondag ben ik nog niet helemaal bijgekomen van de leuke avond in het bos. Hij had een kleed meegenomen en samen hebben we daar een paar uur op gelegen, gegeten van het lekkers dat hij bij zich had en verder eindeloos gepraat. Hij kan leuk vertellen en hij heeft veel idiote dingen meegemaakt. Daarbij voel ik me superbraaf en nogal saai. Toch denk ik niet dat hij dat zo ziet. Alles wat ik hem over mezelf vertel vindt hij leuk of grappig. Ik denk dat ik hem heb aangestoken, want die idiote grijns zat ook al de hele tijd op zijn gezicht geplakt.
Inmiddels zit ik in weet ik veel hoeveel lagen kleding te wachten tot hij me komt ophalen. Uiteraard een bikini, want we gaan varen. Daaroverheen een korte broek en een t-shirtje, maar daaroverheen nog weer een lange broek en een warme trui. Ik moet er niet aan denken dat ik te weinig warms bij me heb en dat ik eerder naar huis moet om te voorkomen dat ik ziek word.
Buiten klinkt een heleboel herrie. Ik rol geërgerd met mijn ogen. Dat zal de buurjongen wel zijn met zijn uit elkaar vallende Golf. De auto zelf is een barrel, maar de uitlaat en de muziekinstallatie zijn duidelijk nieuw en dat wil hij de hele buurt laten weten. Dan gaat de bel. Als ik opendoe knipper ik even verbluft met mijn ogen. Dat was dus niet de buurjongen. Op de oprit staat een glanzende motor. Geen pruttelende chopper, maar een racemonster. Kim draagt een leren motorpak en een zwarte helm met het vizier omhoog. In zijn gehandschoende hand draagt hij een losse helm, die hij me aanreikt.
‘Ben je er klaar voor?’
Ik slik. Ben ik hier klaar voor? ‘Ik eh… Ik heb geen motorpak,’ beken ik, terwijl ik de helm aanpak.
Hij kijkt naar mijn spijkerbroek en knikt goedkeurend. ‘Ik heb in ieder geval een paar kisten voor je meegenomen en een paar handschoenen. En ik zal voorzichtig rijden.’ Hij haalt zijn rugtas van zijn rug en ritst hem open.
Nerveus trek ik mijn eigen schoenen uit en verruil ze voor de kisten. Daarna trek ik de handschoenen aan. Ik ben ineens heel dankbaar dat mijn ouders geen van beiden thuis zijn! Als ze eens wisten!
Met een brok in mijn keel stap ik bij Kim achterop de motor en wacht tot hij de motor start. Het monster komt grommend tot leven en ik voel de machine onder me trillen. Zoveel power in zo’n dingetje. Ik word er een beetje bang van.
Kim pakt mijn handen en legt ze om zijn middel. ‘Goed vasthouden,’ bezweert hij.
Hij geeft gas en stuift de straat uit. Het is doodeng, maar eigenlijk ook supergaaf! Een ritje wordt ineens een belevenis in plaats van dode tijd. Ik klem mijn armen nog wat steviger om zijn middel en druk mijn helm tegen zijn rug. Dan voel ik ineens zacht de druk van zijn hand. Zijn vingers beroeren die van mij en mijn hart kruipt centimeter voor centimeter omhoog, tot hij ergens achterin mijn keel klopt. Het liefst zou ik mezelf nu even stevig knuffelen van geluk.

*****

Een week later haalt Kim me op voor een feestje bij zijn vrienden. Ja, het is zover. Ik ga ze ontmoeten. Zijn vrienden. Ik vind het tegelijk doodeng en leuk. Op de zeilboot heb ik al kennis gemaakt met Jesse en Brenda, maar vanavond zal ik een groot deel van de hele vriendengroep ontmoeten. Brenda was overigens erg aardig vorige week. Ze heeft me veel leuke dingen verteld over Kim en al die tijd zat Kim te kletsen met Jesse, maar bleef intussen de hele tijd naar me kijken.
Ik heb de hele week op wolkjes gelopen, ben zo ongeveer versmolten met mijn telefoon (want o, wat als hij belt, appt, sms’t, mailt, facebookt en ik zou het missen?) en heb last van acute aanvallen van afwezigheid. Tijdens die periodes maak ik kleine tijdreizen; reis ik terug naar de bootreis, de maanpicknick, de dans… Ik leef in een soort grote luchtbel van geluk met elfjes die om me heen rondzweven en lieflijke pianomuziek op de achtergrond.
‘Ik hoop maar dat ze me aardig zullen vinden,’ zeg ik zenuwachtig tegen Kim, als hij me in de auto laat stappen. Zijn vrienden wonen in een dorp verderop.
‘Natuurlijk wel,’ zegt hij lief. ‘Ze zullen je onwijs lief vinden. Net als ik. Misschien zal ik nog met een paar gasten moeten vechten om je.’ Een snelle knipoog volgt.
En uiteraard heeft hij gelijk. Niet over dat vechten, maar ik bedoel de vrienden. De meiden vinden het helemaal leuk dat Kim nu eindelijk een leuk vriendinnetje heeft en de mannen knikken allemaal goedkeurend. Opgelucht haal ik adem en probeer de rest van de avond aansluiting te vinden bij de meiden.
Als we eindelijk opstaan om naar huis te gaan, is het al half drie. Terwijl we naar de deur lopen, valt me op dat Kim een beetje wankelend loopt. Ik krijg een vervelend gevoel in mijn maag, verkrampt, alsof ik net ongesteld ben geworden. ‘Eh… Kun je nog wel terug naar huis rijden?’ informeer ik voorzichtig.
‘Duh,’ zegt hij geïrriteerd.
Op dat moment baal ik verschrikkelijk dat ik zelf geen rijbewijs heb. Zelf heb ik vooral cola gedronken vanavond.
‘We zouden ook kunnen vragen of we mogen blijven logeren?’ probeer ik nog voorzichtig.
‘Of we gaan gewoon lekker terug naar huis,’ antwoordt hij stuurs. ‘Kom.’
Even twijfel ik. Even vraag ik me af of het verstandiger is om mijn vader te bellen en om hem te vragen of hij me op wil halen. Maar in mijn hoofd zie ik al voor me hoe dat gaat. Hij komt aan, stuurt Kim een woedende blik en neemt me dan mee naar huis. Onderweg in de auto krijg ik een felle preek over het slechte gedrag van mijn nieuwe vriend en dat zo’n persoon toch helemaal niets voor mij is. Dat hij wel even een hartig woordje met die knul wil spreken over zijn kostbare dochter. En ik weet ook dat ik zoiets hooguit één of twee keer kan vragen. Daarna zal mijn vader daar ook zat van zijn.
En daarom stap ik toch in. Klik ik toch mijn gordel vast. Vouw ik mijn handen, sluit mijn ogen en prevel een gebedje of ik alsjeblieft veilig thuis mag komen. Dat de mensen die we onderweg tegen komen ook veilig thuis mogen komen. Ik wacht tot Kim naast me gaat zitten, de sleutel in het contact steekt en de motor tot leven wekt.

Wordt vervolgd in #4 The Music Sessions - Song of the Caged Bird. Deze zal naar verwachting volgend weekend gepubliceerd worden op deze site. 
Hieronder nog een afbeelding van mijn brainstormsessie tijdens het luisteren naar het nummer. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen